statement

Betekenis; het begrip “monumentaal” heeft géén technische betekenis in de orde van grootte of omvang. Etymologisch komt de term van het Latijnse werkwoord “monere”, wat “herinneren aan” betekent. Een “monument” is een teken dat ons aan iets herinnert, aan een gebeurtenis, aan een belangrijk persoon… Een monument is dus een maatschappelijk-functioneel ding. Dat monumenten meestal groot zijn, als zichtbare baken, is stichtend voor de begripsverwarring. Een goed boek kan immers ook een monument zijn.

Specifieke voorbeelden van monumentale kunst in de 20e eeuw vinden we terug in de Art Nouveau.

Deze stijl en zijn nevenvormen, verspreid over het hele Westen van rond de eeuwwisseling, wordt gekenmerkt door de intentie totaalkunst te maken, het laten harmoniëren van architectuur, binnenhuiskunst, gebruiksvoorwerpen ( zie een heropleving van de kunstambachten), schilderkunst en beeldhouwkunst. Het accent lag bij het decoratieve, het versierende aspect.

Om totaalkunst, maar dan diametraal tegengesteld aan het burgerlijke karakter van de Art Nouveau, gaat het ook in De Stijl en in het Bauhaus, omstreeks de jaren 20. Ook het Russisch constructivisme van Tatlin en El Lissitzky draagt in die richting. Belangrijk in dit tijdsgewricht is het sociaal-maatschappelijk karakter van deze strekkingen en de impact ervan op de kunst en de architectuur van Europa en de Verenigde Staten tot ver na de tweede wereldbrand. Ook is hier een belangrijke stap gezet naar een pedagogiek die niet zonder invloed is op het hedendaagse kunstonderwijs.

Naast deze grote stromingen kunnen we nog talloze voorbeelden aanhalen, van kunstenaars die hun gedachtegoed gaan vertalen naar een architecturale context of naar ambachtelijke en industriële toepassingen.

Bij monumentale kunst kan men spreken van toegepaste kunst (?). In de vrije kunsten wordt er, bij de productie ervan, geen rekening gehouden met een plaats van bestemming (site). Een vrij kunstwerk verwijst in principe in de eerste plaats naar zichzelf. Strikt genomen, gaat men in de monumentale kunsten hoofdzakelijk integratiegericht te werk, wordt er wel degelijk met de site rekening gehouden, is de laatste dikwijls het vertrekpunt, het uitgangspunt. Monumentale kunst is meestal een vast (onverplaatsbaar) onderdeel van de architectuur en de omgeving en wordt ook in deze zin ontworpen. Zie de fresco's, het halfverheven en volplastisch beeldhouwwerk, de mozaïeken en de glasramen, enzovoort… bij de oude culturen en in de nieuwere tijden.

Zo was het! Recentere ontwikkelingen in de moderne en hedendaagse kunst laten zien dat de scheidslijn tussen monumentale en vrije kunsten soms erg vaag wordt, vermenging van disciplines wordt meer regel dan uitzondering, de ontwerpprincipes zijn dezelfde geworden. De hedendaagse vrije kunst ent zich meer en meer op de ruimte en de omgeving, vertrekt ook vanuit de specifieke of particuliere betekenisgeving van die ruimte en omgeving. De taal en de techniek in de monumentale kunst verschilt in wezen ook niet (meer) van die van de vrije kunsten. Monumentale kunst speelt een sleutelrol tussen de vrije kunsten en de architectuur of de openbare ruimte.

Het atelier als laboratorium ; De optie monumentale kunst in de “hogere graad” moet gezien worden als een multidisciplinaire opleiding , zowel inhoudelijk, artistiek als technisch. Er wordt gewerkt met de traditie, maar ook met de toekomst. Een brede blik op het hedendaagse kunstgebeuren is niet meer uit de opleiding weg te denken. Ook het steeds maar ontwikkelen en verbeteren van nieuwe materialen en nevenproducten door de industrie, het gebruik van de computer als databron en werkinstrument geven het atelier meer armslag en een meer actuele tint. Naast het aanbrengen van basisprincipes en – technieken, documentatie in de basisjaren, moet het atelier een onderzoeksruimte en een denktank zijn, waar individuele inbreng en experiment van de student essentieel wordt. Persoonlijke ontwikkeling is een van de hoofddoelen. Hiervoor worden plastische problemen geponeerd, die een motor moeten zijn voor de verbeelding van de student en die een avontuur, een creatief proces in gang zetten. Het aantal antwoorden op de vraagstelling dient even talrijk te zijn als het aantal deelnemers, maar ook de weg er naartoe moet bezaaid zijn met indrukken, materialen, documentatie, nieuwigheden en afval (!)... De student moet leren kijken, onderzoeken wat hij ziet of ervaart, selecteren, en weten zijn visie te vertalen, neer te leggen in een sterk beeld. De synthese van het avontuur vindt zijn weerslag in het uiteindelijke product.

De aard van dit soort onderwijs maakt individuele begeleiding zeer belangrijk. In hogere jaren krijgt de leraar meer een mentorfunctie.

Toch is de studentengroep van de optie monumentale kunsten ook een sterk sociaal geheel . De zeven studiejaren van de opleiding hebben les in dezelfde lokalen en op hetzelfde tijdstip. Dit maakt een interessante interactie mogelijk, werkt inspirerend, prikkelt de nieuwsgierigheid, zet aan tot samenwerkingsverbanden, dwingt tot onderling respect en veroorzaakt een bijzondere dynamiek doorheen de afdeling.

Globaal gezien is het programma als volgt; in een eerste fase staat een studie van de beeldelementen (vorm, licht, materie, kleur), alsook het tekenen (naar waarneming), de basis van elke manier van ontwerpen, centraal. Vanaf het derde en het vierde jaar worden de technische mogelijkheden uitgebreid en themagebonden geoefend. Ook integratie van het kunstwerk staat hier al op het programma. Vanaf het vijfde en doorgezet in de specialisatie ligt het accent op de ontwikkeling als zelfstandig kunstenaar, die een opdracht tot een goed einde kan brengen. Voorbeeldopdrachten zijn meestal reëel (jawel). Groepswerk is in casu niet uitgesloten.

Dit is de situatie nu. Zover zijn we. Een artistiek pedagogisch project moet echter ook de vertolking zijn van een droom. Binnen het atelier monumentale kunst kan men reeds gewagen van een ver doorgedreven vakoverschrijdende benadering . Elke technische discipline komt omzeggens aan bod en het onderzoek naar nieuwe technieken en materialen verloopt steeds verder en breder. Leerlingen komen aanzetten met de vreemdste materialen en wonderlijkste alternatieven en daar is perfect ruimte voor binnen de opleiding.

Samenwerking met andere ateliers is wenselijk, gewoon uit hoofde van de know-how en technische apparatuur, maar zeker op het gebied van kruisbestuiving, zo typisch voor het hedendaagse kunstbedrijf. Dit vraagt een grote flexibiliteit van de school en de omkadering. We weten dat dit mogelijk is, omdat verwezenlijkingen uit het verleden (Kunstzaken Arendonk, a priori…) duiden op een grote wil tot betrokkenheid en omdat het succes hiervan bewezen is.

Christel Gestels, Katia Basiliades, Tom Vansant, Luc Hoekx